

- Smelt drie pond ongezouten rundvet in een pan. Wacht tot het warm is, maar niet heet! Voeg daar al roerend een mengsel van 6 ons gebroken hennepzaad en maanzaad en 3 ons zonnepitten aan toe.
- Giet de warme brij in een vorm, bijvoorbeeld een blikje, een melkkarton of een theeglas.
- Leg daarin, voordat de brij stolt, een stevige katoenen draad die ruim uitsteekt. -Zodra de massa hard is geworden, kunnen de bollen buiten aan de draad worden opgehangen.
- Soms is de vetbol moeilijk uit de vorm los te krijgen. Een melkkarton kan rondom worden afgescheurd; houd een theeglas of blik even in heet water, de vetbol komt dan gemakkelijk los. Uiteraard kunnen naar eigen inzicht ook kleinere hoeveelheden worden gebruikt.
Klik hieronder voor een leuke kleurplaat
- Voeren mag op bescheiden schaal vanaf november (bijv. zaden), maar is pas echt nodig als het vriest.
- Stop geleidelijk met voeren als sneeuw en ijs verdwenen zijn. De vogels kunnen dan weer voor zichzelf zorgen. Vanaf maart dient definitief met bijvoeren gestopt te worden.
- Voer niet teveel tegelijk en liefst 's morgens, na het aanbreken van de dag of tegen het einde van de middag. Overdadig voeren trekt muizen en ratten aan.
- Maak de voedertafel regelmatig schoon met heet water en een borstel. Dit voorkomt besmetting via de uitwerpselen en bacteriën (o.a. salmonella).
- Voer nooit in de tijd dat er jonge vogels zijn. Zij kunnen het voer meestal niet verteren en gaan er dood aan. Bovendien is het wintervoer te eenzijdig voor jonge vogels.
Bij sneeuw is het niet nodig voor water te zorgen. De vogels komen dan aan vocht door van de sneeuw te pikken.
Als water in vijvers en sloten bevroren is, vergruis dan een paar ijsblokjes met een hamer en plaats het buiten in een bakje.
Zorg dat water altijd zo is afgedekt (bijvoorbeeld met gaas) dat vogels er in de winter niet in kunnen baden (bevriezingsgevaar).
Geef nooit voer waarin zout is verwerkt.
Voer nooit margarine (dat werkt laxerend!).
Geef kaasresten zonder korst.
Geef voedsel dat gemakkelijk bevriest, zoals appel, niet in klein gesneden stukjes maar als één geheel.
Laat het voeren van roofvogels, uilen en watervogels over aan specialisten.
Zieke en verzwakte vogels kun je het beste naar een vogelasiel in de buurt brengen.
Hou je kat zoveel mogelijk binnenshuis. Bind een kat die toch af en toe buiten komt een belletje aan. Vogels worden zo gewaarschuwd voor dreigend gevaar.
Verstoor de vogels in het buitengebied niet. Verstoring kost ze onnodig veel energie.
De onderstaande Voederwijzer geeft informatie over het voer dat voor de verschillende vogelsoorten geschikt is.
Merel, kramsvogel, koperwiek, zanglijster en spreeuw
Voerplaats: op de grond sneeuwvrij een open plek maar met een beschutte vluchtplaats in de buurt;
Voedsel: brood gewelde krenten en rozijnen kaaskorsten zonder plastic; rot fruit; fijngesneden schillen; klokhuizen, alle soorten bessen, etensresten (rijst, aardappels; zonder zout)
Koolmees, pimpelmees, kuifmees, zwarte mees en staartmees
Voerplaats: voedertafel voederhuisje
Voedsel: vetbollen, slingers ongebrande, ongezouten pinda's, halve kokosnoot, vogelzaad/zonnepitten
Huismus, ringmus, vink en groenling
Voerplaats: op de grond, evt. voedertafel
Voedsel: bruin brood, onkruidzaden, gemengd (strooi)zaad, etensresten (zonder zout), zonnepitten
Winterkoning, heggemus en roodborst
Voerplaats: op de grond sneeuwvrij zeer beschut onder heggen/struiken
Voedsel: universeelvoer, meelwormen broodkruimels, maden/larven, ongekookte havermout
Specht, boomklever en boomkruiper
voerplaats: vastgemaakt aan boomstam achterin de tuin, rustige plek
voedsel:
spekzwoerd ongebrande, ongezouten pinda's/noten vetbollen zonnepitten
kaaskorst zonder plastic.